Het belang van onderzoek

Ooit hopen we dat dravetsyndroom genezen kan worden. Tot die tijd willen we dat dravetpatiënten de best mogelijke behandeling krijgen. Daarom stimuleren en steunen we zowel onderzoek naar het ontstaan en de mogelijke genezing van het dravetsyndroom, als ook onderzoek naar de symptomen en behandeling daarvan. Door onze stichting te steunen draag je bij aan een betere toekomst voor kinderen met het dravetsyndroom!

Wat we weten door onderzoek

Foutje in SCN1A-gen

Bij de meeste kinderen met het dravetsyndroom vinden we – met erfelijkheidsonderzoek – een foutje in het zogenaamde SCN1A-gen. Dat gen bevat de code voor de aanleg van natriumzoutkanalen in de hersencellen. Deze kanalen spelen een belangrijke rol bij het geleiden van elektrische signalen in de hersenen. Een mutatie (een verandering die ziekte veroorzaakt) in het SCN1A- gen zorgt ervoor dat de natriumkanalen niet meer goed functioneren. Onder andere de hersencellen die de geleiding van elektrische signalen moeten remmen raken hierdoor verstoord. Dat zorgt voor een overactief brein met aanvallen tot gevolg.

Andere genen gevonden

Sinds 2009 zijn er nog een aantal genen gevonden die betrokken kunnen zijn bij het dravetsyndroom of epilepsiesyndromen die daar sterk aan doen denken. Mutaties in het PCDH19-gen kunnen (vrijwel uitsluitend bij meisjes) een ziektebeeld veroorzaken dat
vergelijkbaar is met dat van kinderen met een verandering in het SCN1A-gen. De behandeling is soms iets anders dan bij het dravetsyndroom. De vooruitzichten (epilepsie, intelligentie) kunnen iets beter zijn. Meer recent is duidelijk geworden dat ook mutaties in CHD2, GABRA1, STXBP1, en HCN1 oorzaak kunnen zijn van het dravetsyndroom.

Toeval of erfelijk?

Een genmutatie is een meestal toevallige fout die ontstaat tijdens de bevruchting, hetzij in de zaadcel, hetzij in de eicel. Als de bevruchte eicel vervolgens gaat delen, wordt het erfelijk materiaal (het DNA) steeds gekopieerd. Alle cellen die zo ontstaan bevatten dan de SCN1A-mutatie. De fout ontstaat dus bij het kind. Omdat deze genetische fout bij de ouders niet aanwezig is, is de kans heel klein dat de ziekte zich bij een eventueel volgend kind ook ontwikkelt. Toch wordt in vijf procent van de gevallen bij één van de ouders van een kind met het dravetsyndroom de SCN1A-mutatie ook aangetoond. Meestal heeft de betreffende ouder ook epilepsie (gehad). Vaak is het beloop van de epilepsie bij deze ouders milder dan meestal het geval is bij het dravetsyndroom.

Onderzoeken

Oorzaak en mogelijke genezing

Medicijnstudies

De ontwikkeling van een nieuw medicijn is een lang proces. Voordat medicijnen tegen epilepsie (anti-epileptica) op grote schaal in gebruik worden genomen vindt er altijd eerst een aantal experimentele studies plaats. Het doel van deze studies is om te bepalen of het middel werkt, veilig is en geen ernstige bijwerkingen oplevert voor de gebruikers. Medicijnen worden eerst in het laboratorium en vaak ook op proefdieren getest, en in een later stadium ook op mensen. Deze zogeheten “clinical trials” op mensen kennen vier fases:

Fase 1

In een fase 1-studie worden de veiligheid, bijwerkingen en de werking van het medicijn getest op een groep gezonde deelnemers of een kleine, zeer specifieke, groep patiënten.

In fase 2 wordt het nieuwe medicijn op een kleine groep patiënten getest. Er wordt gekeken of het medicijn leidt tot de verwachte verbetering van klachten, wat de dosering en toedieningsvorm moeten zijn, en welke bijwerkingen er optreden.

In fase 3 wordt het medicijn op een grotere groep patiënten over een langer tijdsbestek getest. De meeste medicijnstudies in ziekenhuizen zijn fase 3-studies. Zeldzamere bijwerkingen worden uitvoerig onderzocht en er wordt een vergelijking gemaakt tussen patiënten die het nieuwe middel krijgen, en een groep die een nep-middel (placebo) krijgt, om te kunnen zien of het medicijn wel echt werkt en eventuele psychologische effecten van het deelnemen aan een medicijnstudie uit te sluiten. Indien de werking van het middel is aangetoond volgt vaak nog een studie waarin de gehele patiëntengroep het nieuwe medicijn krijgt toegediend en dus niet meer met placebo’s wordt gewerkt.

Nadat een medicijn alle drie de fases goed doorlopen heeft wordt het middel geregistreerd door het Europees Medicijn Agentschap (EMA). Na deze registratie moet het middel ook nog door de nationale overheid worden goedgekeurd voor toelating tot de Nederlandse markt. Dan breekt fase 4 van de medicijnstudie aan.

In fase 4 is het middel op de markt en wordt het gedurende langere tijd gemonitord om bijwerkingen en langetermijneffecten te bestuderen.

Aanmelden voor de nieuwsbrief